Gedichtenproject

Laurine & Nesrine , Utrecht Stedelijk Gymnasium 2A

Gedichten 7 t/m 12

7.  ‘Doosje – Annie M.G. Schmidt’

Ik ben zo bang dat je strakjes verdwijnt,
Vervaagt in de mist en dan nooit meer verschijnt,
Oplost in het zonlicht of smelt in de regen,
Ja, dat komt voor en wat doe je ertegen?
Wegvliegt door ‘t raam als een hele domme vlinder,
Hoge beloning voor de Eerlijke Vinder.

Ik zou je het liefste in een doosje willen doen
En je bewaren, heel goed bewaren.
Dan zou ik je verzekeren voor anderhalf miljoen
En telkens zou ik eventjes het doosje opendoen
En dan strijk ik je zo zachtjes langs je haren.
Dan lig je in de watten en kan niemand erbij,
Geen dief die je kan stelen, je bent helemaal van mij.
En dan telkens even kijken,
Heel voorzichtig even kijken,
En dan telkens even kijken
En een zoen.

Je mag er eventjes uit, elke dag.
Zeker dat mag. Ja, een uurtje, dat mag.
Laten we zeggen: naar ‘t Vondelpark, even,
Alleen om de eendjes wat eten te geven.
Maar ‘k hou je vast, ook tegen je zin
En na een uur ga je ‘t doosje weer in.

 

8.‘Vriend – Toon Hermans’

Je hebt iemand nodig,
eerlijk en oprecht.
Die, als het er op aan komt
voor je bid en voor je vecht.

Pas als je iemand hebt
die met je lacht en met je grient.
Dan pas kan je zeggen…
Ik heb een vriend.


(Jij geeft me inspiratie, ik geef je mijn dank…)

 

9. Ze bloeien nog – Annie m.g. schmidt

Heer, vergeef mij, dat ik zoveel jaren
Uw aarde liefgehad heb en Uw zon,
Uw vogels en Uw bloemen en Uw blaren
En nooit Uw liefde daaruit leren kon.

De grote zee en alle wijde wegen
ontstuimig heb bemind; alleen het lied
van wolk en wind, en zonneschijn en regen
heb aangebeden, maar Uw liefde niet.

Dat ik Uw wereld als een harp bespeelde
en zag Uw grote harmonieen nooit.
En heb mijn dank, met ogen wijd van weelde
als witte bloesems in de wind gestrooid.

Wel achteloos heb ik Uw brood genomen
en hief de volle beker van Uw wijn,
Totdat Gij aan mijn tafel zijt gekomen
en mij omringde met Uw felle Zijn.

En mij Uw hand oplegde, de doorboorde,
een lichte, maar een eind’loos zware druk.
O Heer, vergeef mij, dat ik Uwe woorden
voorbijging voor een beetje broos geluk.

Thans sta ik voor U met een hand vol bloemen,
de welke bloemen van mijn dank, en toch:
Nu waag ik eindelijk Uw Naam te noemen
en zie, ze bloeien nog… ze bloeien nog!

 

10. ‘De chefkokmeeuw – C. Buddingh’

De chefkokmeeuw zegt het niet,
maar hij heeft veel stil verdriet.

Want hij vindt het, moet u weten,
heel, heel erg om zo te heten.

Daar hij een waar democraat is,
taalt hij niet naar rang of status.

Hij wil - en wil dat al eeuwen -
gewoon meeuw zijn met de meeuwen.

Maar die wijzen met een brok
in hun keel: ‘Kijk, een chefkok!’

En juist deze eerbied leidt
tot zijn wrange eenzaamheid.

 

11  Kooitje – C. Buddingh

Mooi is een kooitje
Met een kanarie erin

Heel mooi ook een kooitje
Met een parkiet erin

Met een merel erin, met een kolibri erin,
Een slavink erin, een bos wortelen erin,
Blokjes marmer erin, een glas water erin

Maar het mooiste is eigenlijk
Een kooitje met niets erin

12.  ‘Mijn zuster Ursula - WILLEM WILMINK ‘

Mijn zuster Ursula
is goed in grammatica:
zij kan er meer van dan ik er van ken.
Kind, je weet niet wat een sufferd ik ben.

Soms denk ik dat ik het eindelijk snap:
Jan lijdend voorwerp in Jan krijgt een klap
en Marie werkt toch mee in Marie krijgt een kus
en Marie is het meewerkend voorwerp dus.
Allemaal fout, volgens mijn zus.

Mijn zuster Ursula
is goed in grammatica:
zij kan er meer van dan ik er van ken.
Kind, je weet niet wat een sufferd ik ben.

 

Soms denk ik dat het gemakkelijk is:
zijn is gezegde in Jan eet zijn vis,
was is het werkwoord in Ze is aan de was,
pas is een bijwoord in Pas op je pas,
Allemaal fout, mompelt de klas.

Mijn zuster Ursula
is goed in grammatica:
zij kan er meer van dan ik er van ken.

Soms denk ik dat ik een vondeling ben.
Maar ik word later veel beter dan zij,
want dan maak ik er bepalingen bij:
bepaling van rottig, bepaling van leuk,
bepaling van kriebel, bepaling van jeuk,
bepaling van deling, bepaling van breuk,

bepaling van botsing, bepaling van deuk.

Mijn zuster Ursula
is goed in grammatica:
zij kan er meer van dan ik er van ken.
Kind, je weet niet wat een sufferd ik ben.